Alles over containers in Windows Server 2016

Ook Microsoft integreert zijn serverplatform met containers. Windows Server 2016 komt in de tweede helft van het jaar uit en op basis van de laatste Technical Preview kun je het volgende verwachten op containergebied:

Windows Server 2016 maakt in de huidge Technical Preview voor het eerst gebruik van Hyper-V-containers naast de ondersteuning van Docker-containers. Dat riep aan het begin van het jaar een hoop vragen op. Waarom zijn er twee containers? Wat is het verschil? Wanneer kun je beter de ene container gebruiken en wanneer de andere? Rol je deze op dezelfde manier uit of zijn er verschillen?

De documentatie van Microsoft over deze twee container-opties is niet verhelderend en containers zelf zijn nieuw binnen het Windows Server-platform. Daarom gaan we in dit artikel in op vragen die je wellicht hebt over containers in Windows Server 2016. De RTM-datum daarvan ligt waarschijnlijk in de tweede helft van dit jaar. Het is dan ook nog vroeg in het proces van containerisatie op Windows en er zijn nog details waaraan moet worden gewerkt.

Overeenkomsten en verschillen

Op dit moment heb je twee typen containers in Windows Server 2016: Windows Server-containers en Hyper-V-containers. Ze zijn beide Windows-only en dus niet te combineren met bijvoorbeeld Linux en/of Unix. Voor luie admins als ik zullen we de belangrijkste vraag direct beantwoorden: Is een van de twee lastiger uit te rollen dan de andere? Het antwoord daarop is een volmondig 'nee'.

De containertypes worden anders uitgevoerd en zijn allebei anders geïsoleerd en vertrouwd in de hypervisor, maar in de kern kan een uitvoerder van het fysieke systeem op het moment vlak voor uitrol beslissen welke container moet worden gebruikt - en dat is zo simpel als het aanvinken van de juiste optie in een wizard op het moment dat je de container aanmaakt. Die beslissing beïnvloedt hoe Windows Server 2016 - het besturingssysteem zelf (de hypervisor in de basis die op de serverbak draait) - de workloads van elke container isoleert en inzet.

Dus als ze allebei even veel werk opleveren, hoe beslis je dan tussen de twee? Dat komt neer op vertrouwen. Als je de code kent die in de container draait kies je voor een Windows Server-container, de traditionele Docker-aanpak. Als je code niet kunt verifiëren, niet van interne ontwikkelaars komt of je om een andere reden niet kunt vertrouwen, is een Hyper-V-container een betere keus. Laten we beide opties eens gedetailleerd bekijken.

1. Windows Server-containers

Windows Server-containers zijn eigenlijk een deel van het open source-containerproject Docker. Deze containers zijn in de kern een nieuw soort virtuele machine die op bepaalde manieren minder geïsoleerd is dan traditionele VM's omdat resources die alle containers gebruiken op een gedeelde host draaien. Dat zijn bijvoorbeeld OS-bestanden, directories en draaiende services. Dat is efficiënter omdat als je drie containers draait met dezelfde versie van Windows Server als guest, heb je maar één C:\Windows nodig.

Containers zijn ondanks het delen nog altijd gescheiden van andere applicaties die op de host draaien en tegelijkertijd vermindert het overhead en maakt het containers lichter. Je hebt meer ruimte per server die containers draait door gedeelde basisbestanden, in tegenstelling tot traditionele virtuele machines, waar meer wordt gedupliceerd.

Hierna: Containers zijn een oplossing voor de strijd tussen developers die specifieke configuratie-eisen hebben en admins die de configuratie breed toepasbaar willen houden.

Related:
1 2 3 4 Page 1
Page 1 of 4
7 inconvenient truths about the hybrid work trend
Shop Tech Products at Amazon